Ton Fleuren Directeur Business Development|Heijmans Utiliteit

Elk gebouw verdient een coach

0 ·Leestijd: 5:30 min

Tot 1964 had de wereld een schijn van overzichtelijkheid. Dankzij? De schoolkathechismus, die tot aan dat jaar verplichte kost was in het katholiek onderwijs. De eerste vraag in dat stichtelijke boekwerkje luidde: ‘Waartoe zijn wij op aarde?’ Het voorgedrukte antwoord was: ‘Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn.’

Een onwrikbare bewering, die geen Typex of tegenspraak duldde. Met welke gebouwen je God diende, lag ook al redelijk vast. Als ik in de lunchpauze bij ons op het dak ga staan zie ik de oude antwoorden aan de horizon: kerktorens.

Toch bouwden Nederlanders niet alleen ter meerdere eer en glorie van het hogere. We raakten ook in de ban van functionaliteit. Om onszelf tegen weer, wind en wildernis te beschermen, metselden we woningen. Om luiheid en lege broodtrommels te bestrijden, bouwden we fabrieken. Om onze kinderen voor domheid te behoeden, lieten we scholen verrijzen. Zo ontstond Nederland, met de n van nuchterheid, nut en noodzaak.

Naast functionaliteit was [en is] er nog een reden om te bouwen. Een veelal ontkende reden – want irrationeel: wij bouwen in Nederland ook om onze daadkracht te markeren. Vrijwel elk gebouw is voor een deel gefundeerd op prestige, ijdelheid of het verlangen naar eeuwigheidswaarde.

Dienstbaarheid

Het is 2017, ruim vijftig jaar na afschaffing van de schoolkatechismus. Tijd voor een hergeformuleerde vraag. Die luidt: ‘Waartoe zijn gebouwen op aarde?’ Als ik een antwoord mag geven: “Zij zijn op aarde om mensen te dienen en hen op die manier hier en nu gelukkig te maken.” Dat gaat voorbij verering van het hogere, pure functionaliteit of stille bewijszucht. Het gaat om dienstbaarheid. Dat klinkt oh zo vanzelfsprekend, maar is het niet. Te lang hebben we in Nederland gebouwen neergezet die slechts een verzameling elementen vormden: gevels, daken, vloeren. Wie de eindgebruikers waren of wat ze van hun werkplek verlangden, deed niet zo ter zake.

Vooruit laten we de mens weer centraal zetten. Hij of zij is leidend. Het gebouw heeft zich te schikken. Die visie levert een gezonde, plezierige en schone omgeving op, verhoogt de productiviteit en past bij eigentijds werkgeverschap. Of je nu medewerker, bezoeker of leverancier bent: als je een beter gebouw binnenstapt, roept het eenzelfde tevreden reactie op: “Er is over mij nagedacht.” Dat zie je bevestigd in de architectuur, ruimtelijkheid en het materiaalgebruik, maar ook in akoestiek, kleurstelling, inrichting, klimaat, comfort. Wie dat betwijfelt, bied ik graag een vrijkaart voor het Nationaal Militair Museum in Soesterberg.

BeSense

Exemplarisch voor ons geloof in betere gebouwen is BeSense. Een slim sensorsysteem dat data verzamelt over ruimtebezetting, temperatuur, CO2-gehalte, lichtintensiteit en luchtvochtigheid. Analyse daarvan leidt tot duurzamer gebouwbeheer, efficiënter onderhoud en succesvoller hospitality management. Bovendien komen de inzichten van pas bij verbouwingen of nieuwbouw.

Tot mijn plezier groeit de aandacht voor dienstbare gebouwen. Dat moet ook. De maatschappij verlangt doordacht gebruik van ruimte, energie en grondstoffen. Daarnaast vinden met name jonge, hogeropgeleide werknemers een aangename werkomgeving steeds vaker een belangrijke conditie. Terecht. Een werkgever die wil dat zijn medewerkers excelleren, moet meer bieden dan kantoorhokken met een uniforme muurprint van een klavertje-vier.

Enerzijds heeft dertig jaar werken in deze sector mijn geloof in betere gebouwen aangewakkerd. Anderzijds ben ik realist. Een leegstand van ruim twaalf miljoen vierkante meter verhuurbaar vloeroppervlak op de kantorenmarkt, waarvan zestig procent structureel, vermindert de kans op nieuwbouw aanzienlijk. Het is logischer dat we bestaande gebouwen revitaliseren. Een stevige klus, want een deel van dat bestand is chronisch ziek. Sloop is evenwel niet altijd nodig of maatschappelijk wenselijk.

'Gebouwenkwalen verdrijf je niet met brandende salie maar met kundige coaching'

Nieuw beroep

Hoe gaan we deze gebouwen beter maken? Met brandende salie verdrijven we de kwalen niet. Het vergt steviger werk. Van een coach. Een wat? Een coach. Of preciezer: een gebouwcoach. Op een veelgebruikte lijst met elfhonderd beroepen – van A&O-psycholoog tot zweminstructeur – komt die functie niet voor.

Onder een gebouwcoach versta ik iemand die multidisciplinaire kennis van bouwen, onderhoud en beheer heeft of deel uitmaakt van een team waarin deze disciplines vertegenwoordigd zijn. Zoals een ‘gewone’ coach je helpt om inzichten op te doen waaruit positieve gedragsveranderingen voortkomen, onderzoekt een gebouwcoach hoe je een gebouw beter, gezonder en efficiënter kunt laten functioneren. Zijn grondstof bestaat hoofdzakelijk uit regelmatige gesprekken met eigenaar en eindgebruikers, eigen inspecties en data. Dat leidt tot verbetervoorstellen en modificaties.

Aan stand verplicht

Wie in vogelvlucht enkele utilitaire sectoren bekijkt, ontdekt dat we nog bergen te verzetten hebben. Veelzeggend is cure & care. Of je daar nu horizontaal of verticaal in belandt: veel gebouwen in deze beweeglijke sector kunnen de veranderingen amper bijbenen. De onderwijssector is van hetzelfde laken een pak. Transities in dat domein noodzaken om de gebouwen slimmer te maken. Inflexibele klaslokalen en grote collegezalen zijn old skool nu veel onderwijs kleinschalig en projectgestuurd is.

Zoals ik al opmerkte, is aandacht voor betere gebouwen absoluut geen luxe. Integendeel: het is welbegrepen eigenbelang van de eigenaar en/of eindgebruiker. Nederland is immers geen productieland meer. De hogeropgeleiden die ons kennis- en dienstenland dragen, willen in aansprekende gebouwen werken. Organisaties zijn het aan hun stand verplicht dat hun gebouwen de vertaling zijn van hun gewenste identiteit en imago. Wie daar zijn schouders over ophaalt, onderschat het belang dat nieuwe generaties aan hun werkomgeving toekennen.

'De formule voor betere gebouwen is l x b x h x dienstbaarheid'

Formule

Ik voorzie dat de gebouwcoach de komende jaren terrein verovert. Wel zal de markt twee zaken moeten inzien. Ten eerste: verbeteren kost geld. In Nederland roept dat al snel aarzeling op: we willen vooruitstrevend zijn, maar het mag niks kosten. Die kortzichtigheid getuigt niet alleen van matig werkgeverschap, maar gaat ook voorbij aan de [verborgen] kosten van medewerkers die niet optimaal gezond, efficiënt en plezierig kunnen functioneren. De tweede notie: verbeteren kost moed. Sommige gebouweigenaren en eindgebruikers tobben liever in stilte verder dan dat ze externe partijen om hulp vragen. Dat is misplaatste trots. Het is geen schande om een gebouwcoach in de arm te nemen. Sterker nog: het bespaart kopzorg en geld.

Wat de schoolkathechismus uit 1964 betreft: dat is een museumstuk. Uiteindelijk moet iedereen zelf in vrijheid bepalen waartoe hij of zij op aarde is. Dat geldt zelfs voor bouwers. Maar met een voetnoot: ik wijs ik ze graag op l x b x h x dienstbaarheid, de tijdloze formule voor betere gebouwen.

Vind je dit een interessant artikel? Deel het met je netwerk.

Reacties

Gerelateerde artikelen